Soms heeft een kind maar één dansles nodig om weer in zichzelf te geloven
Column van schrijver en programmamaker Karim Amghar – naar aanleiding van zijn rol als dagvoorzitter tijdens de Directeurenbijeenkomst Impact maken met kunst.
—
Over een regenboog boven Utrecht, twee dansdocenten die iets in mij zagen en waarom kunst- en cultuureducatie veel meer aandacht verdient in het onderwijs.
Het was zo’n typisch Hollandse herfstdag. Grijs maar toch zonnig en af en toe regen. Alsof het weer niet kon beslissen wat het wilde. Bij aankomst in Utrecht zag ik een prachtige regenboog boven de stad schitteren en ik bleef er even naar kijken. Wat een mooi begin van de dag, dacht ik. Ik mocht op 8 oktober een bijeenkomst voor schooldirecteuren modereren als dagvoorzitter, georganiseerd door Cultuur & School Utrecht. We zouden het hebben over de betekenis en effecten van kunst- en cultuureducatie in het onderwijs. Een onderwerp dat me persoonlijk raakt.
In de Stadsschouwburg werd ik warm ontvangen. Ankje Berkhof, directeur van Cultuur & School Utrecht, zwaaide enthousiast. Naast haar stond Iris Hekkert, directeur van basisschool De Fakkel. Binnen enkele minuten spraken we over kinderen die vooral horen wat ze niet kunnen, gezinnen voor wie theaterbezoek niet vanzelfsprekend is en hoe kunst soms iets bij een kind losmaakt waar het onderwijs al jaren naar zoekt. Ik dacht meteen terug aan mijn eigen middelbareschooltijd.
Die jongen achter in de klas
Op de basisschool kreeg ik op mijn Citotoets een uitslag op havo/vwo-niveau. Mijn schooladvies werd uiteindelijk vmbo-kader. Dat verschil heeft ontzettend veel met me gedaan. Ik was een jongen die graag leerde, nieuwsgierig was en behoorlijk goed kon praten. Maar langzaam begon ik mezelf te zien door de ogen van mensen die weinig van me verwachtten. Mijn zelfvertrouwen verdween, ik werd boos op school, op volwassenen en eigenlijk op de hele wereld.
Ik begon me anders te gedragen. Ik flirtte met criminaliteit, at ongezond en ging om met jongens die ook weinig vertrouwen hadden in hun toekomst. Ik sprak altijd keurig Nederlands, maar ontwikkelde ineens een dik straataccent. Alsof ik met mijn stem wilde laten horen bij welke wereld ik inmiddels hoorde. Op school ging het ondertussen steeds slechter. Toch herinner ik me één les uit die periode alsof het gisteren was. Een gastles kunst- en cultuureducatie. Twee vrouwelijke professionele dansers kwamen bij ons op school om een workshop te geven. De hele klas deed mee, behalve ik. Ik stond helemaal achteraan met mijn Gucci petje, koptelefoon en een veel te dikke jas aan. Het was ongeveer veertig graden in dat lokaal, maar die jas bleef aan. De meeste docenten waren inmiddels gewend aan mijn gedrag. Als ik niet meedeed, richtten ze zich op de leerlingen die wel wilden. Dat begreep ik ergens ook, want een docent heeft dertig leerlingen en weinig tijd. Maar deze twee vrouwen deden iets wat ik totaal niet verwachtte. Ze bleven naar mij kijken en daagden me uit. Maakten grapjes, probeerden me te verleiden om mee te doen en ergens tussen mijn stoere houding en hun aanstekelijke enthousiasme gebeurde iets bijzonders. Ik zette mijn koptelefoon af, mijn jas ging uit en ik begon te dansen. Eerst een beetje ongemakkelijk, maar met iedere minuut werd mijn glimlach groter. Ik voelde iets wat ik op school al heel lang niet meer had gevoeld. Namelijk plezier, trots en het gevoel dat ik ergens goed in kon zijn. Aan het einde van die les had ik letterlijk pijn aan mijn kaken van het lachen.
Maar het mooiste moest nog komen. Toen iedereen het lokaal verliet, kwamen de twee dansdocenten naar mij toe. Ze gaven me een flyer van een mbo-opleiding op het gebied van dans, kunst en cultuur. “JIJ moet naar onze school komen!” Ik keek ze verbaasd aan. Ze hadden die flyer aan niemand anders gegeven, alleen aan mij. Wat ik vooral voelde, was dat twee volwassenen hoge verwachtingen van me hadden. En dat was op dat moment in mijn leven ontzettend zeldzaam geworden. Ik rende naar huis. Met die flyer stevig in mijn hand vertelde ik mijn moeder enthousiast over de opleiding. Ik zag mezelf al dansen, optreden en misschien zelfs ooit mijn geld verdienen met iets wat ik ontzettend leuk vond. Mijn moeder luisterde aandachtig. Ze pakte de flyer, keek ernaar, scheurde hem doormidden en gooide hem in de prullenbak.
“Jij moet iets met computers of economie doen.” Einde danscarrière. Ik kan er inmiddels om lachen. Mijn moeder is een ontzettend intelligente vrouw die haar kinderen altijd een beter leven heeft gegund. Juist daarom begrijp ik haar reactie nu veel beter dan toen. Mijn ouders wisten wat armoede betekende. Ze hadden ervaren hoe onzeker het leven kan zijn als je weinig geld hebt. Een opleiding moest zekerheid bieden. Werk, een inkomen, een toekomst waarin je je geen zorgen hoefde te maken over de huur of de boodschappen.
In Nederland vinden we kunst en cultuur belangrijk, maar zodra het onderwijs onder druk staat, verdwijnen ze naar de achtergrond. Eerst lezen, rekenen en goede resultaten. Als er dan nog tijd overblijft, mag er iets creatiefs gebeuren. Die gedachte leeft in allerlei gezinnen, ongeacht inkomen of opleidingsniveau. Terwijl juist kunst voor kinderen die voortdurend horen wat ze niet kunnen, van onschatbare waarde kan zijn. Een kind dat moeite heeft met rekenen, kan geweldig ritmegevoel hebben. Een leerling die nauwelijks durft te spreken, kan op een podium ineens schitteren. Een jongen die boos achter in de klas zit, kan tijdens een dansles eindelijk weer lachen. Ik was die jongen en met mij heel veel andere kinderen.
Wat gebeurt er als een kind eindelijk succes ervaart?
Terug in Utrecht vertelde ik, na een introductie met wat humor, mijn verhaal. Borius van der Meulen van de Stadsschouwburg Utrecht sprak over het toegankelijk maken van theater voor mensen die zich daar niet vanzelfsprekend thuis voelen. Daarna vertelde prof. dr. Edwin van Meerkerk, hoogleraar Cultuureducatie, hoe cultuur ons laat kennismaken met het onbekende en tegelijkertijd helpt onszelf beter te begrijpen. Hij verwees naar Hernando Chindoy en benadrukte hoe nauw onderwijs en cultuur met elkaar verweven zijn.
Een andere gedachte bleef hangen. Bij kunst en cultuur hoef je nergens excellent in te zijn om er iets waardevols uit te halen. Denk aan een kind dat voortdurend onvoldoendes haalt voor rekenen en langzaam het plezier verliest. Iedere toets bevestigt opnieuw wat het blijkbaar niet kan. Bij kunst kan dat anders zijn. Je kunt genieten van dans zonder de beste danser te zijn. Van Meerkerk vertelde over een jongen uit Arnhem die deelnam aan het Nationaal Programma Arnhem-Zuid. Hij had inmiddels het stempel ongemotiveerd en lastig gekregen en volgde vanwege zijn gedrag onderwijs buiten de klas. Totdat twee stagiaires met een achtergrond in kunst- en cultuureducatie dagelijks dansles begonnen te geven, ook aan hem en langzaam veranderde er iets. Zijn zelfvertrouwen groeide en uiteindelijk kon hij weer volledig meedraaien in zijn eigen klas. Op een dag kwam hij enthousiast naar de stagiaires toe. “Kijk mevrouw! Ik heb mijn dansbroek aan vandaag!”
Ik moest glimlachen. Ik zag mezelf weer staan, achter in dat veel te warme klaslokaal. Met mijn Gucci-petje en mijn dikke jas. Natuurlijk lost één dansles niet alle problemen van een kind op. Maar soms ontstaat er een opening. Een docent ontdekt een andere kant van een leerling, een kind ontdekt een andere kant van zichzelf en dat kan ontzettend veel betekenen.
De directeur kan het verschil maken
Na de lezing gingen we met elkaar aan de slag. Iris Hekkert van basisschool De Fakkel en Michiel Duffels, voormalig directeur van basisschool De Pijlstaart en inmiddels projectleider en adviseur bij schoolbestuur KSU, deelden hun ervaringen. Het gesprek ging over hoe je cultuureducatie een vaste plek geeft, collega’s meekrijgt en schoolbesturen betrekt. Want schooldirecteuren hebben al ontzettend veel op hun bord. Toch bepalen zij mede wat binnen een school belangrijk wordt gevonden en daar zit voor mij een belangrijke vraag. Wat willen we eigenlijk dat kinderen tijdens hun schooltijd ontwikkelen? Wat hopen we dat overblijft wanneer toetsen en rapporten allang vergeten zijn? Dat is het verborgen curriculum, waarin kunst en cultuur van enorme betekenis kunnen zijn. Van Meerkerks onderzoek laat zien dat succesvolle cultuureducatie vraagt om samenwerking en betrokkenheid van het hele team. Een enthousiaste kunstdocent kan veel losmaken, maar voor blijvende verandering moet de school zelf verantwoordelijkheid nemen.
Aan het einde benadrukte Ankje Berkhof het belang van samenwerking. Cultuur & School Utrecht wil kunst en cultuur een stevigere plek geven op scholen. Maar welke kinderen bereiken we nog niet? We richten ons in het onderwijs steeds meer op wat kinderen niet beheersen en steeds minder op wat er in hen zit. Juist voor kinderen die opgroeien in armoede kan school een wereld openen die anders gesloten blijft. Dat vraagt om schoolbesturen die cultuureducatie serieus nemen, gemeenten die investeren en culturele instellingen die ook kinderen bereiken voor wie theaterbezoek niet vanzelfsprekend is. Die verantwoordelijkheid mogen we niet bij ouders neerleggen. Wie weinig geld heeft, moet al genoeg keuzes maken en een kind mag daar niet de rekening voor betalen. Ik hoop daarom dat de bijeenkomst van 8 oktober meer oplevert dan inspiratie. Dat directeuren echte ambassadeurs worden, hun teams meenemen, schoolbesturen ruimte maken en beleidsmakers begrijpen hoeveel er op het spel staat.